Wetenschap; hoe ver reikt onze kennis dan? (9)

Al dat gepalaver van mij over wetenschap, zou wellicht de indruk kunnen wekken dat ik bijzonder goed thuis zou zijn in een aantal wetenschappen en wel een goed zicht zou hebben over en in de materie van de wetenschap.
Alsof ik het allemaal wel zou weten en begrijpen. Mocht dat het onwaarschijnlijke geval zijn dan moet ik je, vrees ik, toch echt teleurstellen; dat is namelijk beslist niet zo.

vraagtekens

Zo mag de neurowetenschap mij dan bijvoorbeeld aan m’n verstand trachten te peuteren dat ons brein uit grofweg zo’n honderd miljard (100.000.000.000) neuronen bestaat. Met zo’n getal kan ik dan misschien op abstract niveau nog iets aanvangen zoals er een sommetje of een vergelijking mee maken. Nu heb ik er misschien zelf wel een paar minder dan de meeste mensen maar ik kan me toch heus niet echt een concreet beeld vormen van een dergelijk aantal minuscule dingetjes bij elkaar. Dan gaat het ook nog eens over dingetjes die ik nooit in het echt gezien heb en waarbij ik me dan, bij ontstentenis aan die authentieke ervaring, een beeld voor de geest pleeg te halen dat denkelijk enige gelijkenis vertoont met de tekeningen en modelletjes van neuronen zoals we die in de leerboekjes zien.

neuron

En dan hebben we het alleen nog maar over een uiterst primair en basaal onderdeeltje van de bevindingen van de hersenwetenschap die momenteel zo’n furore maakt en zich nu in zoveel aandacht en belangstelling mag verheugen.

Ook van de relativiteitstheorie snap ik niet bepaald niet alles en van de quantummechanica nog veel minder.
Je kunt mij vertellen dat in de niet-Euclidische meetkunde twee evenwijdige lijnen elkaar in het oneindige snijden, maar als ik dan ja mocht knikken bedoel ik toch waarschijnlijk: gooi het maar in m’n pet.

Kortom, veel bevindingen en vruchten van de wetenschap gaan mijn petje toch echt weleens teboven.
Om met onze onvolprezen bard Cornelis Vreeswijk te spreken:

Een hele hoop dingen zijn moeilijk hoor
daar heb ik de hersenen echt niet voor

Nu hebben bovenstaande voorbeelden toch vooral betrekking op die zogeheten harde betawetenschappen met als kern onze kennis der natuur en natuurlijke verschijnselen die we mede vanwege de formele logica en empirische toetsing die we daar op los laten als objectief plegen te beschouwen (objectief, zo goed en kwaad als mogelijk dan of zou objectivistisch wellicht een adequatere term zijn).
Mijn begrip van wat ook wel exacte wetenschap heet, is dus nadrukkelijk begrensd. Hoewel ik deze materie wel degelijk bijzonder interessant vind, gaat mijn nieuwsgierigheid en belangstelling toch doorgaans iets meer uit naar vragen rond mens en cultuur, de vragen uit,zeg maar, de sociale wetenschappen.

Hier een lesje van iemand die de materie toch wel duidelijk iets meer doorziet dan ik.
Robbert Dijkgraaf over de stand van de betawetenschap met betrekking tot onze kennis der natuur:

In het college dat Dijkgraaf hiet ten beste geeft zien we ook Peter Higgs, de ontdekker/voorpeller van deeltje 17 gelauwerd worden.
Diezelfde Higgs onthulde onlangs in de Guardian niet altijd even gelukkig te zijn geweest met het klimaat of de mores in de academische of wetenschappelijke wereld. Ten aanzien van de huidige cultuur meent hij daarin niet te kunnen of te willen functioneren en hij zou naar eigen zeggen zelfs überhaupt niet aan de bak komen.

By the time he retired in 1996, he was uncomfortable with the new academic culture.
“After I retired it was quite a long time before I went back to my department. I thought I was well out of it. It wasn’t my way of doing things any more. Today I wouldn’t get an academic job. It’s as simple as that. I don’t think I would be regarded as productive enough.”

In het college maakt Robbert Dijkgraaf duidelijk hoe ongelooflijk ver onze fundamentele kennis over de materie al reikt maar tegelijkertijd dat de essentie ervan ons nog altijd ontgaat.
Als dat de stand van zaken is in de exacte en harde wetenschappen, hoe zou het dan gesteld zijn met sociale wetenschappen? De diverse mens- en cultuurwetenschappen worden sowieso nogal eens aangemerkt als wollig, zacht of boterzacht. Is dat per definitie zo of leveren ze ons bij gelegenheid ook wel degelijk eens gedegen en nuttige kennis?
En de hamvraag blijft, na het lustrum van de crisis, natuurlijk of we überhaupt nog van zoiets als een economische wetenschap zouden mogen of kunnen spreken?
Ik vermoed toch met Coen Simon dat we voorlopig nog even niet zullen kunnen zeggen dat we het nu allemaal wel weten.

<< vorige | volgende >>

Over Dick

What about me?
Dit bericht werd geplaatst in in mijn boekie, van schijn en werkelijkheid, Varia en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s