Doe eens normaal (2) Genen

Het zogeheten nature-nurture debat is een discussie die altijd en overal weer op diverse niveau’s de kop opsteekt en dat ongetwijfeld altijd in verschillende gedaantes zal blijven doen. In ondermeer de psychologie, de filosofie, mijn werk en het publieke en politieke debat, om maar eens een paar dwarsstraten te noemen.
Enkele decennia geleden leek de maakbare mens de onbetwiste winnaar te worden, terwijl we tegenwoordig graag zo veel mogelijk lijken toe te schrijven aan of menen af te kunnen doen als de genetische aanleg; als ware het een simpel spelletje van ‘welles of nietes’.

Malou van Hintum wijdt het eerste hoofdstuk van haar boek Doe eens normaal aan deze doorlopende kwestie onder de titel Biologie of boze buitenwereld?
Hierin betoogt ze overtuigend en onderbouwd dat daar geen eenvoudig antwoord op bestaat en de zaak altijd weer wat ingewikkelder en verwevener blijkt te liggen dan we dachten of hoopten; iets dat wijze mensen natuurlijk al sinds mensenheugnis bevroedden.

Hier enkele citaten uit de paragraaf: Genen belangrijk, maar niet beslissend

De meeste ziekten zijn multifactorieel, wat betekent dat een combinatie van vaak onbekende genvarianten samen met bepaalde omgevingsfactoren ervoor zorgen dat je een verhoogd risico loopt op een aandoening.

De euforie wa dan ook groot toen duizenden wetenschappers die sinds 1990 samenwerkten en het Human Genome Project er in 2000 in slaagden de volledige genetische code – alle 30.000 genen – van de mens te ontrafelen.

Het is nog maar een paar jaar geleden dat wetenschappers optimistisch waren over het vinden van de ‘genetische sleutels’ voor allerhande ziekten en aandoeningen. Ze veronderstelden dat voor elke eigenschap of stoornis maar een paar belangrijke genen verantoordelijk zijn. Maar hoe meer genetisch onderzoek wordt gedaan, des te duidelijker het wordt dat vrijwel alle eigenschappen en aandoeningen worden beïnvloed door een heel groot aantal genen.

Hoogleraar humane genetica Gert-Jan van Ommen (Universiteit Leiden) bevestigt dat het effect beperkt is van de risicogenen die inmiddels wel zijn gevonden: ieder afzonderlijk geven ze 1 of 2 procent risicoverhoging op een ziekte. ‘Mensen in de wereld van het genoomonderzoek kunnen er niet omheen dat dit nu niet bepaald een fantastische score is, zegt hij. Risicogenen verklaren evenveel als of zelfs minder dan omgevingsfactoren als sociaaleconomische klasse of gezinsinvloeden. Dat bepaalde genvariaties vaker samen met een bepaalde aandoening voorkomen, wil bovendien niet zeggen dat ze die aandoening ook veroorzaken. Achter de meeste ziekten gaan tientallen genen of genvarianten schuil, en de manier waarop een gen zich ‘gedraagt’ kan ook het gevolg in plaats van de orzaak van een ziekte zijn.

In de volgende paragraaf over Epigenetica: de invloed van de omgeving
komen nog wat complicaties ter sprake die zich voordoen vanwege het feit dat een gen, mede onder invloed van omgevingsfactoren, ‘aan’ danwel ‘uit’ kunnen staan.

Dit verschijnsel dat genen onder invloed van omgevingsfactoren ‘aan’ en ‘uit’ kunnen staan, wordt veroorzaaakt door een biologisch proces waarbij de werking van het DNA verandert.

Naast de genetica is dus ook de epigenetica een factor om rekening mee te houden. En dat maakt het onderzoek er niet eenvoudiger op. Bedenk daarbij dat alle 30.000 genen afzonderlijk de mogelijkheid hebben om wel of niet tot ‘expressie’ te komen, om ‘aan’ of ‘uit’ te staan, en het is duidelijk dat dit een bijna onoverzienbare hoeveelheid variaties creëert.
En daarmee zijn we er nog niet. Want een gen kan niet alleen ‘aan’ of ‘uit’ staan, het kan afhankelijk van omgevingsfactoren ook een ‘positief’ of ‘negatief’ effect hebben. Anders gezegd: omgevingsfactoren beïnvloeden niet alleen of een gen ‘aanstaat’, maar ook hoe.

Een bepaalde aanlaeg heeft dus altijd specifieke omgevingsfactoren nodig om in de vorm van gedrag zichtbaar te worden.

Ons genenpakket zit dus bomvol mogelijkheden, zowel positieve als negatieve, en het hangt in belangrijke mate van onze omgeving af of en hoe die tot uiting komen.

Zoals we uit het genoom van die kromme gele nog niet kunnen lezen waarom ie krom is, zo heeft ook het in kaart brengen van het menselijk genoom ons vooralsnog maar bitter weinig nieuw inzicht gebracht in het hoe en waarom van psychische stoornissen.
En dan te bedenken dat wij als mensen niet eens het hoogste aantal genen tellen; die malle piepers bijvoorbeeld hebben er al meer.

< vorige | volgende >

Genen- en neuropraat >

Over Dick

What about me?
Dit bericht werd geplaatst in een vak apart, psychobabbel, Varia en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s