Het behaviorisme als paradigma (3)

Sinds Thomas Kuhn in 1962 zijn The Structure of Scientific Revolutions publiceerde is het gebruikelijk om van een paradigma te spreken als zijnde het samenhangende en moverende stelsel van vooronderstellingen, theorieën en modellen waarmee men binnen een bepaalde discipline of stroming de werkelijkheid pleegt te benaderen.

Een halve eeuw daarvoor was het het project van het behaviorisme om, avant la lettre, het nieuwe paradigma van de psychologie of misschien hier wel juister gezegd de gedragswetenschap te formuleren.
De pretenties en ambities van het behaviorisme waren groot en zo ook de opmars als dominante stroming binnen de psychologie.
Doel en methode laten zich kernachtig samenvatten als de zoektocht naar de functionele en causale verbanden tussen S en R, waarbij S staat voor stimuli of omgevingsinvloeden en R staat voor respons, reactie ofwel gedrag.
En de paradigmatische kern of de onderliggende en alom aanwezige basisstelling luidt dat: alle gedrag is aangeleerd.

Tot in zijn uiterste consequenties doorgedacht kan een dergelijke radicale stelling al gauw problematisch of grotesk worden.
Is bv. onze ademhaling dan ook aangeleerd gedrag en middels leren te beïnvloeden? Het lijkt er toch eerder op dat moeder natuur en onze aangeboren aanleg deze functie in principe prima geregeld heeft en we de omgeving echt niet hoeven te manipuleren om dit vlot te laten verlopen.
En hoe verwerven wij taal?
In 1957 verscheen Syntactic Structures van de hand van Noam Chomsky.
In datzelfde jaar verscheen Verbal Behavior van de hand van B.F. Skinner en in 1959 verscheen daar een kritiek op van Noam Chomsky. Hierin betoogde deze aanstichter van de transformationele taalkunde op overtuigende wijze dat de taal een diepte- en een oppervlaktestructuur kent; en dat die dieptestructuur wijst op of in feite een vorm is van aangeboren kennis waardoor wij allen begiftigd zijn met het vermogen of de aanleg om ongeacht welke taal dan ook te verwerven.
Volgens velen werd in en door deze discussie het lot van een behavioristische theorie over taalverwerving beslist en kon deze voorgoed naar de vergetelheid worden verwezen. Daarbij luidde het tevens de cognitieve wending in en daarmee het einde van de behavioristische theorie als leidend paradigma binnen de psychologie.

Daarmee leek het erop dat bovengenoemde discussie over taalverwerving beslist en teneinde was.
Dat is hij dus allerminst al zul je er weinig meer over in de krant lezen; inmiddels komt uit behavioristische hoek, als variatie en voortzetting van Skinners ideeën, de Relational Frame Theory.
Ook in allerlei andere vraagstukken komen argumenten van behavioristen overigens regelmatig terug; voor een gedegen doch leesbare verhandeling over wat voors en tegens met de nodige nuance op een rijtje gezet zie: Behaviorism

Hoe dan ook binnen de psychologie was de dominantie van het behaviorisme ten einde en werd die plaats ingenomen door het cognitivisme.
In de filosofie zien we vergelijkbare tendenzen en bewegingen (zie bv. Emoties en rationaliteit revisited van Heleen Pott in Wijsgerig perspectief 2003, nr 2). In dit artikel wordt, zoals overigens van vele kanten te vernemen valt, ook opgemerkt dat het nu geldende paradigma wankelt:

Hier en daar zijn zelfs de eerste tekenen waar te nemen van een revival van de aloude ‘feeling-theorie’. Binnen de psychologie is sprake van een opmerkelijke terugkeer van William James, die als eerste de feeling-theorie van de emoties wetenschappelijk articuleerde. Ook de neurofysiologische bewustzijnstheorie van Antonio Damasio die de laatste jaren furore maakt binnen de psychologie, vat zichzelf op als een kritische voortzetting van de feeling-theorie van James.

Op een geheel ander niveau hoor je her en der nogal eens bezorgde geluiden over de overmaat aan oplaaiende irrationele emoties, korte lontjes e.d.; voor een wat andere en optimistischere kijk op dergelijke cultureel-maatschappelijke bewegingen zie: culturele omslag

Dat het behaviorisme in wetenschapfilosofische zin veel aan geloofwaardigheid heeft in moeten boeten door haar radicale positie in het nature-nurture-debat zal niemand vandaag-de-dag verbazen. Zie hoe het evolutie-denken in navolging van Darwin en medestanders alom ingeburgerd is geraakt en zie de aard van de belangstelling voor de ontrafeling van het menselijk genoom en andere algemene opvattingen waarin het belang van aanleg en erfelijkheid onderstreept worden.
Het paradigma dat alle gedrag aangeleerd is met de stilzwijgende implicatie dat elk gewenst gedrag ook aan te leren zou zijn lijkt te hebben afgedaan.

Zelf vind ik ook dat het behavioristische paradigma niet de juiste of omvattende basis voor de psychologie kan zijn omdat ik meen dat de meest fundamentele vraag van de psychologie de vraag naar de aard en het wezen van het menselijk bewustzijn is of hoort te zijn. Een vraag waar we mijns inziens nooit een klip-en-klaar antwoord op zullen krijgen, maar waar wel alle andere vragen uit de psychologie op de een of andere manier verband mee moeten houden.
En de orthodoxe behavioristen lijken vragen over het bewustzijn nu juist als irrelevante ruis bewust uit te bannen. (hetgeen opzichzelf een leuke paradox kan opleveren)
Dat ik het niet als bevredigend paradigma onderschrijf betekent overigens niet dat ik de vragen en bevindingen die het behaviorisme opgeleverd hebben als onzin zou afdoen of niet als waardevolle kennis beschouw.

Wat op zijn minst opvallend en merkwaardig mag heten wanneer we kijken naar de meer uitgesproken aannamen en uitgangspunten van het behaviorisme, is hoe totaal verschillend die in verschillende tijden en situaties gewaardeerd kan worden.

Als ik zo op mijn eigen herinnering afga dan is het toch zo dat de meeste mensen, mijzelve incluis, ofwel ronduit negatief waren over of toch minstens wat bedenkingen hadden tegen het mechanistische of reductionistische karakter van die uitgangspunten. En ook als men in de praktijk operante conditionering toepaste en onderschreef vanwege het gewenste effect werd er toch veelal ook enige afkeer van de theorie erachter geuit. We spreken dan over de heersende mentaliteit van zo’n tien, twintig en dertig jaar geleden in Nederland.
Vreemd genoeg werden diezelfde uitgangspunten een aantal decennia daarvoor zeker niet altijd als mechanistisch en beperkend ervaren; juist de maakbaarheidsgedachte werd als uitermate positief ervaren. Men zag er ook nieuwe mogelijkheden voor een beter toekomst in.
Zo komt Skinner in 1948 met de utopische roman Walden Two , waarin hij een experimentele gemeenschap beschrijft waar menige socialistische, progressieve of groene politieke partij heden ten dage nog nauwelijks van durft te dromen. Deze roman is zelfs de inspiratie geweest voor de daadwerkelijk gestichte en bestaande communiteit Twin Oaks.

‘T kan verkeren wist Brederoo reeds.

<vorigevolgende>

Over Dick

What about me?
Dit bericht werd geplaatst in pedagogie, psychobabbel en getagged met , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s